Rat | Posttraumatische stressstoornis (PTSS)

Rat | Posttraumatische-Stressstoornis (PTSS)

De rat loopt je constant voor de voeten en scharrelt rond je hoofd als je slaapt: de rat staat voor de posttraumatische-stressstoornis (ook wel PTSS). Dit beestje komt voor in de volgende afleveringen: #7 Politieagent Joeri Sterringa over PTSS en openheid.

Veel mensen maken tijdens hun leven een schokkende gebeurtenis mee, waarna ze kortdurend posttraumatische stressklachten hebben; dit is een gebruikelijke reactie. De meeste mensen kunnen een schokkende gebeurtenis goed verwerken met steun van de omgeving, maar 10% van hen ontwikkelt PTSS (een posttraumatische-stressstoornis). Ook kinderen en jongeren kunnen PTSS ontwikkelen.

Symptomen volgens de DSM-V

A. Blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld op een (of meer) van de volgende manieren:

  1. Zelf ondergaan van de psychotraumatische gebeurtenis(sen).
  2. Persoonlijk getuige zijn geweest van de gebeurtenis(sen) terwijl deze anderen overkwam(en).
  3. Vernemen dat de psychotraumatische gebeurtenis(sen) een naast familielid of goede vriend(in) is (zijn) overkomen. Bij een feitelijke of dreigende dood van een familielid of virend(in), moet(en de gebeurtenis(sen) gewelddadig van karakter zijn of een ongeval betreffen.
  4. Ondergaan van herhaaldelijke of extreme blootstelling aan de afschuwwekkende details van de psychotraumatische gebeurtenis(sen) zoals bij hulpverleners die stoffelijke resten moeten verzamelen; politieagenten die herhaaldelijk worden geconfronteerd met de details van kindermisbruik).

B. De aanwezigheid van een (of meer) van de volgende intrusieve symptomen die samenhangen met de psychotraumatische gebeurtenis(sen) en die zijn begonnen nadat de psychotraumatische gebeurtenis(sen) heeft (hebben) plaatsgevonden:

  1. Recidiverende, onvrijwillige en intrusieve pijnlijke herinneringen aan de gebeurtenis.
  2. Recidiverende onaangename dromen waarin de inhoud en/of het affect van de droom samenhangt met de psychotraumatische gebeurtenis(sen).
  3. Dissociatieve reacties (zoals flashbacks) waarbij de betrokkene het gevoel heeft of handelt alsof de psychotraumatische gebeurtenis(sen) opnieuw plaatsvindt(en).
  4. Intense of langdurige psychische lijdensdruk bij blootstelling aan interne of externe prikkels die een aspect van de psychotraumatische gebeurtenis(sen) symboliseren of erop lijken.
  5. Duidelijke fysiologische reacties op interne of externe prikkels die een aspect van de psychotraumatische gebeurtenis(sen) symboliseren of erop lijken.

C. Persisterende vermijding van prikkels die geassocieerd worden met de psychotraumatische gebeurtenis(sen) die begon nadat de psychotraumatische gebeurtenis(sen) heeft (hebben) plaatsgevonden, zoals blijkt uit één van de beide volgende kenmerken:

  1. Vermijding of pogingen tot vermijding van pijnlijke herinneringen, gedachten of gevoelens over, of sterk samenhangend met de psychotraumatische gebeurtenis(sen).
  2. Vermijding of pogingen tot vermijding van externe aspecten die aan de psychotraumatische gebeurtenis(sen) herinneren (mensen, plaatsen, gesprekken, activiteiten, voorwerpen, situaties) die pijnlijke herinneringen, gedachten of gevoelens oproepen over, of sterk samenhangend met, de psychotraumatische gebeurtenis(sen).

D. Negatieve veranderingen in cognities en stemming, gerelateerd aan de psychotraumatische gebeurtenis(sen), die zijn begonnen of verergerd nadat de psychotraumatische gebeurtenis(sen) heeft (hebben) plaatsgevonden, zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende kenmerken:

  1. onvermogen om zich een belangrijk aspect van  de psychotraumatische gebeurtenis(sen) te herinneren
  2. Persisterende en overdreven negatieve overtuigingen of verwachtingen over zichzelf, anderen of de wereld (bijvoorbeeld “Ik ben slecht”, ” Je kunt niemand vertrouwen”, ” De wereld is door en door gevaarlijk”, “Mijn hele zenuwstelsel is voor altijd verwoest”).
  3. Persisterende, vertekende cognities over de oorzaak of gevolgen van de psychotraumatische gebeurtenis(sen), die ertoe leiden dat de betrokkene zichzelf of anderen er de schuld van geeft.
  4. Persisterende negatieve gemoedstoestand (bijvoorbeeld angst, afschuw, boosheid, schuldgevoelens of schaamte).
  5. Duidelijk verminderde belangstelling voor, of deelname aan belangrijke activiteiten.
  6. Gevoelens van onthechting of vervreemding van anderen.
  7. Persisterend onvermogen om positieve emoties te ervaren (zoals onvermogen om geluk, voldoening of liefdevolle gevoelens te ervaren).


E. Duidelijke veranderingen in arousal en reactiviteit, gerelateerd aan de psychotraumatische gebeurtenis(sen), die zijn begonnen of verslechterd nadat de psychotraumatische gebeurtenis(sen) heeft (hebben) plaatsgevonden, zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende kenmerken:

  1. Prikkelbaar gedrag en woede-uitbarstingen (met weinig of geen aanleiding), gewoonlijk tot uiting komend in verbale of fysieke agressie jegens mensen of voorwerpen.
  2. Roekeloos of zelfdestructief gedrag.
  3. Hypervigilantie.
  4. Overdreven schrikreacties.
  5. Concentratieproblemen.
  6. Verstoring van de slaap (zoals moeite met in- of doorslapen of onrustige slaap).

F. Duur van de stoornis (criteria B, C, D en E) is langer dan één maand.

G. De stoornis veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

H. De stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals medicatie, alcohol) of aan een somatische aandoening.

PTSS in cijfers

  • Ongeveer 7% van de Nederlanders heeft ooit in het leven PTSS.
  • Hiervan is 8,8% vrouw en 4,3% man.
  • De hogere cijfers van PTSS onder vrouwen is gedeeltelijk te verklaren door een hogere blootstelling aan seksueel geweld.
  • Tussen de 52-81% van de mensen maakt ooit in het leven een schokkende gebeurtenis mee. Ongeveer 14% hiervan ontwikkelt in reactie hierop PTSS,
  • Mensen tussen de 18 en 34 jaar hebben met 9,8% het grootste risico op PTSS.
  • 15% van de mensen die werkzaam zijn als arts krijgt te maken met PTSS in zijn leven.
  • Mensen met PTSS hebben een 80% grotere kans dan mensen zonder PTSS om gelijktijdig tenminste één andere psychische stoornis te hebben. Het gaat hierbij vaak om stemmings- en angststoornissen.
  • Ook hebben mensen met PTSS vaker last van middelenmisbruik, impulsief gedrag en automutilatie.
  • Wanneer er naast PTSS sprake is van een andere psychische stoornis, vooral bij depressie, is dit geassocieerd met een verhoogde kans op suïcidaliteit
  • Mensen met PTSS hebben vaker slechte sociale- en gezinsrelaties, werkverzuim, een lager inkomen en minder succes in scholing en werk.
  • De bijdrage van de genen op het ontwikkelen van PTSS is 30%

Maak je eigen website aan bij WordPress.com
Aan de slag
%d bloggers liken dit: